Joseph Wresinski (1917-1988)

Structuur van de site

Biografie
* Père Joseph Wresinski
Van jaar tot jaar
* Van februari 1917 tot februari 1988.
Literatuur
* Over Joseph Wresinski
* Van Joseph Wresinski
Anthologie
* Aan het Volontariaat.
* Een leven, ons leven.
* Het proces van de armsten in de Geschiedenis
* Kinderen van Bogota.
* Om elkaar beter te leren kennen...
* Oproep tot solidariteit.
* Ter ere van de Vierde Wereld.
* Waarom kiezen voor armoede ?
Over mensenrechten.
* Extreme armoede in onze tijd.
* Rechten van God, mensenrechten.
Over kennis.
* De denkwijze van de armen.
* Uiterste armoede schaakmat!
Over geweld.
* Geweld dat de armen wordt aangedaan.
Rapporten
* Wresinski Rapport 1987
Audiovisueel
* "Van U wil ik getuigen".
* ’Joseph, de rebel - van wanhoop tot verzet’
Citaten
* Het ergste ongeluk voor de mens
Naar het Colloquium 2008
* Armoede en mensenrechten.
Voor de kinderen.
* Ontdek het boek "Joseph".


Op het web

Aan het Volontariaat.

Op 8 februari 1988 sprak p. Joseph Wresinski, in het ziekenhuis Foch aan de vooravond van zijn operatie, deze woorden in op cassette gericht aan het Volontariaat.

Vrienden,

Zelfs nu ik mij in het volste vertrouwen voorbereid op de operatie, is het mij niet mogelijk mijn gedachten te laten rusten. Nu ik mij , en zo zou het iedereen vergaan, bevind in de handen van artsen en verpleegsters, nu kan ik opnieuw beter beseffen wat de armen dagelijks doormaken: Zij die afhankelijk zijn, of nog eerder, zij die verplicht zijn rekening te houden met het oordeel, met de mening zowel van de een als van de ander, terwijl het hun eigen leven betreft. Wanneer je op deze manier gedwongen wordt afhankelijk te zijn van iedereen, dan moet je je vooral heel klein maken en niet willen opvallen. Dit is ’n eerste gedachte.

’n Ander punt dat ik jullie, Vrijwilligers, graag wil meegeven, is dat wij heel, heel dicht bij de gezinnen moeten blijven. Voor alles moeten wij trouw blijven aan ons gevecht voor het gezin. En dat niet zo zeer omdat wij mensen van één woord zouden zijn, maar omdat het gezin onze bondgenoot is. Het is het gezin dat ons in staat moet stellen de rechtsgemeenschap, die wij voorstaan, te bewerkstelligen.

Wij ziin echter aan ons zelf verplicht om vooral heel dicht bij de meest ontriefde gezinnen te zijn. Dit vooral moet ik jullie in herinnering brengen, want wij zijn altijd geneigd, en dat blijft de bekoring, om te steunen op de meest dynamische, de meest dappere, de meest intelligente kernen. Zeker, wij moeten op hen steunen, maar wij mogen ons niet door hen laten inpakken en meeslepen. Zij mogen geen misleidend sta-in-de -weg vormen tussen de allerarmsten en ons. Wij moeten er op letten dat ook zij, temidden van hun mensen en hun eigen leefwereld, bewerkers van recht zijn. Wanneer wij ons niet moeten verliezen in ’n teveel aan uiteenlopende aktiviteiten, dan moeten we daarentegen wel ons steeds afvragen of de aktiviteit, waar we mee bezig zijn, de meest ontriefden in staat stelt uit hun toestand te komen en (zelf) bewerkers van de mensenrechten te worden?

We hoeven niet bang te zijn te veel te willen, zelfs als we denken, overigens terecht, dat de (arme) bevolking niet in staat is om in een klap op zich te nemen wat wij haar voorstellen. Dat verplicht ons slechts om stap voor stap te gaan, en dat is noodzakelijk, en dat vereist om ’n werkplan op te stellen: vooreerst welk is het doel dat we willen bereiken, en welke middelen kiezen we om dat doel te bereiken? Vrije mensen zijn, vrij binnen hun eigen gemeenschap, bewerkers van vrijheid voor de anderen, dat veronderstelt dat wij de ontwikkeling, die de onze is en die wij beleven, zouden overbrengen; dat we al onze kennis werkelijk zouden mededelen en dat we dus ook de middelen zouden bedenken om hun er in te doen delen, zodat de gezinnen ze zich eigen maken. Wij zijn niet slechts mensen die ideeën en ’n woordenschat aandragen, wij moeten mensen zijn die alles brengen waardoor ’n mens volledig en harmonieus mens is; dus niet alleen techniek, maar ook kunst en letterkunde en dichtkunst.

Daarom is het nodig dat wij zelf als het ware doordrenkt zijn van wat de mensen aan artistieke uitdrukkingswijzen in muziek en schilderkunst... het verst ontwikkeld hebben. Wij moeten de mensen midden in de natuur brengen, hen leren er van te houden, hun het wonderlijke samenspel tussen hemel en aarde doen zien. In de mate dat wij zelf Geloof hebben, moeten we ook de gezinnen vooruit helpen in die onzichtbare wereld, de wereld van het oneindige, zo dat zij zelf niet slechts leden zijn van ’n gemeenschap, van ’n wijk, maar leden van het heelal en bewerkers van vrijheid.

Dit veronderstelt dat wij werkelijk onderdeel zouden zijn van de wereld en dat wij de wereld lief hebben. Wij zijn niet in staat de gezinnen binnen te leiden in de wereld van morgen, noch in die van vandaag, wanneer wij zelf er niet in zouden zijn. Het gaat niet aan blind te zijn en de gebrekkigheid van de mensen niet te zien. Maar we moeten steeds voor ogen houden dat ieder mens recht heeft op ons vertrouwen zolang we niet overtuigd zijn van het tegenovergestelde. Het is nodig belangstelling te hebben voor politieke en filosofische discussies; het is nodig van mensen te houden die opkomen voor een geloofsovertuiging. Het is nodig dat we deelgenoot zijn in de hoop van allen die strijden (voor de armen), zonder dat we in ’n val lopen. En we mogen nooit vergeten die mensen steeds er aan te herinneren dat de armsten deel moeten uitmaken van hun strijd en van hun denkwereld.

Dit alles kan niet bereikt worden zonder de grootst mogelijke inspanning onzerzijds, nl. om de bevolking te kennen en de gezinnen, ook hun geschiedenis, hun leefklimaat, hun afkomst, de geschiedenis van hun huidige bestaan, hun dagelijkse levensomstandigheden. Wij moeten intens willen deelnemen aan wat voor de gezinnen zelf het dierbaarste is. Niet slechts oppervlakkig, maar er in doordringend, ons erin verdiepend. Wij hebben de instrumenten daarvoor, die moeten we ten dienste maken, ze gebruiken, zoals de psychologie, de sociologie, de economie, e.a. Het is duidelijk dat we niet alle wetenschap in pacht hebben. Maar willen werken aan vrije mensen wil zeggen: hen in staat stellen ’baas’ te zijn, te beschikken over de instrumenten, waarvan de mensheid , door de tijden heen, gebruik maakt om een meer rechtvaardige wereld te bewerkstelligen, een wereld met meer gelijke kansen, waar vrede niet slechts een ideaal is, maar een levende werkelijkheid tussen de een en de ander, omdat beiden de dagelijkse, steeds hernieuwde en getoetste ervaring van de liefdesband beleven in het omgaan met elkaar.

Om kennis van zaken te hebben, is het nodig dat we ’verstaan, luisteren en schrijven’. Ook al zijn we niet alleen maar schrijvende, lezende en pratende mensen, we moeten wel schrijven met kennis van zaken over de gezinnen. We moeten mensen zijn van het woord, zodat de mensen die wij ontmoeten, worden meegesleept om te boksen voor het recht voor de allerarmsten, zodat het recht werkelijk wordt hersteld in het land waar alleen maar ellende heerst. Wij moeten ook heel veel lezen om ons te vormen.

Het is ook ’n vereiste dat onze tijd toekomt aan de armste bevolking. Het is normaal dat arbeiders vakantie krijgen, het is vanzelfsprekend dat ook wij vakantie hebben. Het is niet vanzelfsprekend dat wij zouden aarzelen om te profiteren van dat wat noodzakelijk is voor anderen om op verhaal te komen. Evenwel, het is als voor mensen die elkaar liefhebben, onze tijd behoort ons niet toe. En hebben wij tijd voor ons zelf, dan is het altijd zo dat wij er baat bij hebben ten bate van de allerarmsten.

Dus, het volk der armsten bekend doen zijn, zelf op peil blijven door persoonlijke studie, onze tijd beschikbaar stellen, en ook bidden voor hen die bidden. Want het is nodig dat we leven en werken in ’n geestelijk klimaat. En als ik over spiritualiteit, dan bedoel ik niet dat men tot deze of gene godsdienst moet behoren, hoewel het belangrijk is dat wij ’n geloof hebben, zo niet in een God, dan toch op z’n minst in mensen. Maar het is een noodzaak voor ons een religieus leefklimaat te scheppen, want de geest moet ons bewonen (zonder Geest gaat het niet).

De geest is als ’n zintuig, ’n aanvoelen van de ander, een manier van iets gemeenschappelijk hebben met de ander, waardoor de ander, naarmate die kleiner en zwakker is, voor ons des te belangrijker en groot is. Spreken over het geestelijke brengt ons terug naar het religieuse, naar onze (ver)houding tot God. Men zou kunnen zeggen dat dat het ’je van het’, het neusje van de zalm, het toppunt van het geestelijke aspect is. Maar hoe het ook zij, wij hebben in ieder geval te leven in ’n religieuze houding met en tussen de mensen, en dat betekent een bepaalde manier van hen te zien en van met hen samen te zijn; op dezelfde manier eigenlijk waarop wij ons klaar maken om ons te concentreren op God, om tot Hem te bidden, en te proberen innerlijk ’stil’ te worden, om aldus zo dicht mogelijk bij God te komen, één te zijn met Hem. Iemand zei: “ Ik zie Hem en Hij ziet mij ” (woorden zijn dan overbodig) . Wij moeten de geestelijke inborst hebben van onze broeders en zusters. Dat wil zeggen, dat wij zo ver moeten komen tot een zekere manier van leven-met-de-anderen, dat zij voor ons van betekenis zijn, dat wij hen tot maatstaf nemen, want zij zijn onze gelijken. Zij voeren precies de zelfde strijd, met dezelfde moeilijkheden, dezelfde twijfels ook, dezelfde inspanningen, verdriet, maar ook met dezelfde hoop en vreugden. Dat is wat ik spiritualiteit noem.

Wij zijn op geestelijke manier bezig, als wij er toe komen ons hierop af te stemmen, als we het klaarspelen al het in-wezen-bijkomstige te verliezen om ons te hechten aan het enige, absoluut wezenlijke: wezenlijk voor ons zelf, voor de andere, voor het gevecht. Dan zullen we onze spiritualiteit vinden. Deze spiritualiteit is ook het bezitten van het vertrouwen dat de broederschap de grondslag is van het slagen van heel deze strijd. In de mate dat de armen ons verenigd, elkaar liefhebbend, zullen zien, in die mate ook zullen zij mét ons optrekken.

Het zijn de armsten die ons samenbrengen. Voor de gelovige mens is het de Christus die tot ons komt, als wij gaan tot de armsten. Het is de Christus die met ons spreekt, als wij spreken met de armsten, hij die voelt wat wij voelen, die met de armsten de last van de ellende, van het lijden draagt. Dat is wat ik spiritualiteit (geestelijk leven) noem voor ieder die Geloof heeft.

Wat ons allen betreft, denk ik dat we mogen zeggen dat hetgeen ons samenbrengt, dat dat de arme is, de allerarmste, de mens die het meest te lijden heeft, het meest in de steek gelaten, steeds weer afgewezen, volkomen verwaarloosd. Welnu, als wij zeggen Volontaires te zijn, dan is dat niet alleen ’n status die we aannemen, of dat we kiezen voor het ten dienste staan van de allerarmsten om van hen te leren, soms zelfs met open mond van verbazing.

Zeker, we hebben afgezien van ’n persoonlijk vooruitkomen en slagen in de maatschappij, maar Volontaire zijn betekent, houdt veel meer in. Dat betekent, dat we de armsten tot onze broers en zussen gemaakt hebben. Hun kinderen zijn onze kinderen. En dat wij in eindeloze verbondenheid leven met hen. Zij zijn voor ons en in ons aanwezig; wij herkennen en beschouwen hen als onze meesters, als onze angst, onze moeiten, onze zorg. De zorg voor hun bevrijding blijft ons voortdurend nabij.

Onze spiritualiteit is deze: gegrepen door de bevolking der armsten, steeds in de geest met hen bezig zijn, en dat alles wat we doen, alles wat we zeggen deze bevolking een kans geeft.

Ik heb vertrouwen !

Père Joseph.

Graphisme SPIP réalisé par l'équipe d'Atypik {.biz}