Voorwoord van Père Joseph Wresinski voor "Les enfants de Bogota, témoins des espoirs de tous les enfants", Mouvement international ATD Quart-Monde, UNESCO, 1985.
Vrienden aan de andere kant van de wereld, ik heb jullie geschiedenis gelezen, een geschiedenis van moed en broederschap.
Jullie hadden haar aan Pascale en Jean-Marie toevertrouwd, maar via hen hebben jullie haar geschonken aan al degenen die het moeilijk hebben in het leven, maar de hoop niet opgeven.
Hoe meer ik las hoe meer ik Martine voor me zag : Haar vader had zijn geboortestreek, Bretagne, verlaten omdat er in het dorp geen werk meer was. Met zijn vrouw en acht kinderen was hij naar Normandie getrokken. Maar niemand had hem werk gegeven. Hij had zijn kinderen in Caen moeten achterlaten en naar Parijs gaan om genoeg geld te verdienen om hun te eten te kunnen geven. Maar werk was er niet veel en het loon krap. Zijn kinderen hebben moeten bedelen en stelen, allerlei karweitjes opknappen om te kunnen leven en hun moeder in leven te houden.
Ik zie ook mijn vrienden van San Jacinto in Guatemala voor me. Hun kinderen hebben naar de kust moeten gaan, want ze konden hun niets te eten geven. Die gaan nooit naar school, nooit meer zullen ze de liefde van hun moeder ervaren bij het slapen gaan, maar ze leren de keiharde wet van de straat. De mensen zullen hen voor delinkwenten houden terwijl ze enkel arme kinderen zijn die door de ellende van hun gezin zijn weggerukt, en die ’s avonds huilen, huiverend opeen gepakt op stapels karton.
Jullie verhaal brengt me ook naar New York naar die jongere, die God mag weten waar vandaan komt. Ik heb hem in de 4e straat van de Lower East side leren kennen, een avond toen hij me "weed" aanbood. Ik zou met hem hebben willen praten maar de sirene van een politiewagen joeg hem op de vlucht. Wie zal zijn leed begrijpen ver van zijn familie verbannen te zijn, opgesloten, uitgesloten van een wereld waarin hij zou willen leven, lachen, liefhebben, zingen en dansen zoals de andere jongeren van zijn leeftijd ?
Wie zal er werk geven aan André‚ uit Ouagadougou in Burkina-Faso ? Waarom hebben ze hem zijn familie afgepakt ? Waarom hebben ze hem zijn werk afgepakt ? God had hem een hart gegeven om van de zijnen te houden. God had hem handen gegeven om te werken en de kost te verdienen voor zichzelf en later voor een gezin.
In Bangkok in Thailand zei Tum me : "Ik wil niet dat mijn kinderen zich moeten schamen zoals ik nu". Tum slaapt onder een brug, maar haar hart is elders, bij de haren. Haar dromen nemen haar mee, verweg, naar dat heel blauwe land waar alle kinderen een moeder hebben, een vader, broertjes en vrienden...
Vrienden aan de andere kant van de wereld, laten we samen trots zijn op onze moed.
Père Joseph Wresinski, stichter en Secretaris Generaal van de internationale beweging ATD-Vierde Wereld.
Vertaling van Eugène Notermans.