Schrijnende, extreme armoede is tegenwoordig zo schrikbarend, dat het onvermijdelijk en noodzakelijk is, dat we op een gegeven moment in onze geschiedenis de slachtoffers van schrijnende armoede overal in de wereld, met een praktisch universele actie, herdenken. Maar tegelijkertijd vieren we dat er een zekere vooruitgang geboekt is in het begrip van de mensenrechten, en dat dankzij de mensen die in schrijnende armoede leven.
Want de mensen, die in schrijnende armoede leven, hebben ons geleerd dat het grootste gevaar dat ze kunnen lopen is, dat we verschil maken tussen aan de ene kant de politieke en burgerrechten en aan de andere kant de economische, sociale en culturele rechten. Omdat we dit onderscheid maken, kwam ernstige armoede in onze rijke landen weer terug. Extreme armoede bestond, maar de laatste jaren is ze boven water gekomen, omdat we zo in beslag genomen waren door en zo gefocust op de politieke en burgerrechten dat we nagelaten hebben maatregelen te treffen om die extreme armoede uit te roeien; we beseften immers niet eens dat die armoede nog bestond, omdat onze zorgen en inspanningen, zo te zeggen, van een andere orde waren.
We zijn vergeten dat iemand die langdurig werkloos is, snel van hulpverlening afhankelijk wordt. Want hij kan geen aanspraak maken op een sociale verzekering; hij is geen lid meer van een vakbond of van een politieke partij; hij wordt niet meer geraadpleegd en is geen vrij mens meer. Hij is voortaan aangewezen op mensen die hem te hulp schieten; en daarom houden we geen rekening meer met hem. We hebben ontdekt dat deze mens dan geen enkele vrijheid heeft en nergens aan kan deelnemen. Hij wordt uit zijn woning gezet; hij moet van hot naar haar zwerven; hij heeft geen stemrecht en is geen burger meer. Zonder werk hoort hij niet meer bij een vakbond of een politieke partij. Zonder dak boven zijn hoofd, heeft een mens, de arme families die we tegenkomen, geen burgerrechten, geen stemrecht meer.
We hebben ook ontdekt dat die mensen, families die nergens ingeschreven staan, aan geen enkele vereniging die voor de rechten van huurders opkomt, kunnen deelnemen. Hetzelfde geldt voor iemand die ernstige gezondheidsproblemen heeft, en die, vanwege zijn situatie van extreme armoede, niet naar het ziekenhuis kan gaan of daar zelfs geweigerd wordt.
We hebben geleidelijk geconstateerd dat gezinnen in extreme armoede, mannen en vrouwen in grote armoede, die geen goede gezondheid, geen geld hebben, die in beslag genomen worden door overlevingsproblemen of zorgen in de familie, met geen mogelijkheid aan welk verenigingsleven dan ook kunnen deelnemen. Hun kinderen gaan van school zonder het lezen en schrijven machtig te zijn; dat veroordeelt hen om later werkloos te zijn. En daarom hebben ze niet alleen geen gezinsleven of een waardig, stabiel arbeidsleven, maar – en dat is misschien wel het ergste – kunnen ze ook niet deelnemen aan vakbondsacties of aan een politieke partij; daardoor kunnen ze niet, zoals ieder mens, hun stem laten horen en voelen ze zich niet betrokken bij al wat er in hun land omgaat, bij de ontwikkeling van het land waar ze leven.
In de publieke opinie is dankzij de armsten vooruitgang geboekt: want de ondeelbaarheid van de mensenrechten wordt steeds minder aangevochten; ze wordt steeds ruimer erkend. Daarom vindt die manifestatie van 17 oktober plaats. Want het is belangrijk dat we die vooruitgang in het denken over de mensenrechten vieren.
