Mijn vader was Pool. Hij werkte voor een fabriek en werd naar Spanje gezonden. Daar ontmoette hij mijn moeder. Vervolgens moest hij voor zijn werk naar Frankrijk. Mijn ouders waren allebei in Frankrijk, toen de eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) uitbrak. Toen werd mijn vader opgepakt, omdat hij een Pools-Duits onderdaan was. Men hield hem voor een Duitser. Hij werd met zijn vrouw en zijn zoon Louis geïnterneerd. Gevangenschap is altijd vreselijk.
In die periode is een kindje geboren, mijn zus. Omdat mijn ouders haar niet genoeg te eten konden geven, is mijn zus van honger gestorven. Het heeft mijn moeder veel verdriet gedaan dat mijn zus op zo’n manier gestorven is. Ze moet toen ongeveer één jaar geweest zijn.
Ze werden vervolgens naar Saumur overgebracht. Ze kwamen in een afschuwelijke situatie terecht. Want inwoners uit Saumur gingen naar hen toe, scholden ze uit en gooiden stenen door de tralies. Een tijdje later heeft men hen opgesloten in het Grootseminarie van Angers. Daar was beslag op gelegd. Mijn moeder was daar dus ook. Het heeft mijn vader erg geraakt dat men hem als een vijand van de Franse natie beschouwde. Hij is er nooit overheen gekomen.
Ik ben in het ziekenhuis van Angers geboren in 1917. Toen mijn vader vrij gelaten werd, installeerden mijn ouders zich in de rue Saint-Jacques. Mijn vader heeft enkele activiteiten ondernomen om aan de kost te komen. Mijn opa uit Polen was horlogemaker; hij repareerde horloges. Mijn vader is dat ook gaan doen. Een klant vertrouwde hem een gouden horloge toe. Twee Amerikanen bezochten het lokaaltje waar hij werkte, en stalen het horloge. En zoals u kunt begrijpen, deden er in de wijk allerlei verhalen de ronde. Mijn vader heeft alles in het werk gesteld om dat horloge te vergoeden. Maar in de wijk bleef de indruk achter dat wij dieven waren.
Mijn vader voelde zich vernederd. Hij vond dat hij niet langer in Frankrijk kon blijven. Hij wilde weg, terug naar Polen. Maar mijn moeder aarzelde. Ze had armoede en ellende gekend en wilde geen risico lopen, vooral niet vanwege haar kinderen. Ze wilde toen niet met hem mee. En op een bepaald moment heeft ze mijn vader uit het oog verloren. Ze zijn uit elkaar geraakt, eigenlijk niet om familie redenen, maar vanwege de levensomstandigheden. (…)
Mijn vader is eerst naar Saarland (D) vertrokken. We kregen af en toe bericht. Hij vroeg steeds aan mijn moeder om met de kinderen over te komen. Maar het is te begrijpen dat mijn moeder ons niet in een onzeker avontuur wilde storten, zonder enige zekerheid achter ons. Daarom heeft ze geaarzeld, veel geaarzeld. En opeens hoorden we niets meer van hem. We hebben geprobeerd om iets te weten te komen. Zo kregen we te horen dat hij, terug in Polen, verdwenen was tijdens de bombardementen van Dantzig (nu Gdansk) (1939). Het is alles dat we hebben kunnen vinden.
We hebben dus samen met mijn moeder geleefd. Het was een formidabele vrouw die door haar omgeving gerespecteerd werd, niet omdat ze zich beklaagde, maar omdat ze haar kinderen een goede opvoeding gaf. Ze gebruikte haar verstand. Daarom vochten wij altijd voor de kinderen met wie we optrokken, om ze te leren hun hersenen te gebruiken. Wat de armen hindert is, dat ze in onmogelijke situaties geen antwoord weten en daardoor komen ze er niet uit. Ze denken niet door. Ze weten geen gebruik te maken van de situaties, van de mogelijkheden die zich voordoen. En bovendien weten ze niet te zwijgen als dat nodig is. Moeten ze zich op de achtergrond houden of op de voorgrond treden? Begrijpt u dat?
Het is een van de redenen waarom ik, toen ik in het kamp van Noisy-le-Grand kwam, veel bezorgder was om – ter ondersteuning van de school – een kleuterklas en een bibliotheek in te richten dan om voedselverstrekking en dergelijke zaken aan te pakken. Ik wilde kennis delen. Ik trof er buitengewoon intelligente jongens en meisjes aan, die op school niets uitvoerden. Ze voelden zich zo vervreemd, zo van een andere wereld. Ik zag ze opgroeien en dacht bij mezelf, dat deze kinderen, in ieder ander milieu, onderwijzer, dokter, misschien priester zouden worden. Ze vergooiden hun leven volledig, omdat ze hun verstand niet wisten te gebruiken. (…) Dat is een diep onrecht!
