Elk blijk van liefde geeft de armen meer reden tot hoop

De kinderen zitten om Georgette heen,
dicht tegen haar aan,
als viooltjes die wegkruipen in het mos.

Elf peuters.
Jacques zegt: ‘Ik heb het koud’,
en Claudine: ‘Wat een rotzooi’.
Ze heeft het over de wijk die wordt afgebroken,
krot na krot.
De kinderen hebben een hartgrondige afschuw van de wijk.
Het is er altijd koud, het is er altijd vies.
Zelfs de bloemen langs de gepleisterde muren
zien er lelijk uit.
Maar nu is het nog erger.
Ieder afgebroken huis maakt plaats voor een gapend gat.
Ieder afgebroken huis blijft daar in stukken
op zijn eigen fundering liggen,
een hoop puin, verrotte planken,
hier en daar uitstekend plaatijzer…

De kinderen zijn bang voor die wereld.
Geen wonder dat ze hun wijk verafschuwen.
Gelukkig zijn papa en mama er nog,
en de broers en zussen.
Toch mogen ze elkaar niet altijd even graag.
Gelukkig zijn er de dieren,
de honden en de poezen,
al lopen die er nog zo haveloos bij.
Gelukkig is Georgette er nog.

Want in die onwezenlijke, wanordelijke wereld
gaat Georgette door met haar peuterspeelzaal.
Ze maakt er zelfs nog meer werk van dan vroeger.
Elke ochtend trekt ze van huis tot huis,
dwars door het afval dat zich ophoopt,
het puin dat zich opstapelt
en vaste vormen begint aan te nemen.
Ieder kind gaat ze thuis ophalen.
Ze wacht tot het klaar is,
en helpt, zo nodig, mama om het aan te kleden.
Ze troost de kleine Rosita
die zo bang is voor al die rommel
dat ze niet buiten durft te komen.
Kleine Rosita weet trouwens dat het gevaarlijk is:
haar broertje heeft een zware plank op zijn voet gekregen
en moet nu in bed blijven.

Georgette staat erop
dat alle elf kinderen elke dag komen.
Ze wil er vandaag geen enkel kwijtraken.
Maar ze wil vooral niet
dat ze er later even ellendig aan toe zijn als nu.
Vaak zegt ze:
‘Al die rommel mag geen reden zijn
dat hun verstand zich niet meer ontwikkelt.
Ze moeten elkaar regelmatig zien,
dat stelt ze gerust.
De peuterspeelzaal moet er heel mooi uitzien,
nog mooier dan vroeger
en het moet er lekker warm zijn.’
Maar gemakkelijk is dat niet.
Enkele dagen geleden
is het huis vlak naast de peuterspeelzaal afgebroken.
Het pleister van de muren barst!
‘Ze moeten een lekker vieruurtje krijgen,
nog meer en beter dan vroeger.
Dat hun wereld wordt afgebroken,
mag geen trauma voor ze worden.’

En ze loopt door de wijk
die wordt afgebroken.
Een afbraak die al maanden duurt.
Temidden van die kleintjes lijkt ze heel groot.
Met dat kleine grut trekt ze
naar de aangrenzende straten,
waar alles gebleven is als vroeger,
waar de bomen groeien, vrij en blij,
waar de bloemen nog altijd lachen.

Op het einde van het jaar
heeft Georgette haar doel bereikt,
ondanks bulldozers, afbraak en angst.
Uit de tests blijkt
dat bij geen enkel kind de ontwikkeling
van de intelligentie achterop is geraakt.
Wie oud genoeg is, kan naar de kleuterschool.

Zullen deze kinderen zich later
nog iets van Georgette herinneren?
Zullen ze zich herinneren
hoeveel vindingrijkheid, liefde en moed
zij heeft moeten opbrengen om hen
boven de verwarring uit te tillen?
Georgette zullen ze misschien vergeten,
maar zoveel liefde kan niet verloren gaan.
Ze zullen volwassen worden
en als hun wegen elkaar opnieuw kruisen,
zullen ze misschien zeggen:
‘Die vrouw heeft ons van de school doen houden.’

En dat alles, omdat iemand
over haar angst en walging heen
tot het uiterste van haar opstandigheid is gegaan,
om nog meer lief te hebben.

2 reacties Geef een reactie
  1. Jean,
    Bijna een jaar heeft het geduurd vooraleer ik tot op Agora kon geraken. Het is voor mij moeilijk om te werken met de computer.
    En het eerste dat ik open is dit mooie stukje van jou, uit het boek van père Joseph Met het oog op de toekomst.
    Dubbele dank: eerst om mij de weg te wijzen naar de Agora, en ten tweede “om nog meer lief te hebben”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *