De situatie van de mensen in schrijnende armoede 1 is een aantasting van onze democratische beginselen. Je kunt niet spreken van een democratie, zolang die niet allereerst gebaseerd is op het respect voor minderheden. De meerderheid moet minderheden verdedigen en ondersteunen. Ze moet minderheden in staat stellen om hun mening te geven en te participeren. Anders is er een situatie waar de sterken zich de macht toe-eigenen. In een democratie dragen we de verantwoordelijkheid om de minderheden alle kansen te bieden om, op gelijke voet met de meerderheid, echt deelnemer te zijn.
Onze democratieën gaan, zo wordt gezegd, uit van gelijke kansen, maar ze vertonen ernstige ongelijkheden. Sinds ongeveer twee eeuwen, heeft een deel van de samenleving beslag gelegd op de economische, sociale, religieuze macht. Dat deel is daarmee doorgegaan, gaat er nog steeds mee door, onverschillig het politieke stelsel. Ze waarborgt de voorrechten die ze eeuwenlang verworven heeft en die zich opeenstapelen (…)
Het zijn vooral de mensen in schrijnende armoede 2 die de werkelijkheid van onze samenlevingen echt aan het licht brengen. Zij werden van alles beroofd. Men heeft ze verstoken van iedere mogelijkheid om zich te uiten, iedere mogelijkheid om een waardig bestaan te leiden, zoals ze hadden mogen verwachten. Men heeft ze aangezet om het spel van de anderen te spelen, dat van het overheidsapparaat, van de charitatieve en sociale instellingen. Men heeft objecten van ze gemaakt en geen bewuste personen. Daarom kunnen ze geen eigen initiatieven nemen. Ze hebben geen mogelijkheid hun eigen stem te laten horen. Men heeft ze gedwongen het spelletje mee te spelen, om te liegen, om te veinzen. Dat alles moeten ze wel doen om juist enkele middelen te krijgen om te kunnen overleven.
Maar wanneer je deze families kent, sta je steeds verbaasd over de menselijke waardigheid die je bij hen aantreft. Want geen mens laat zich verpletten. Niemand wil op één hoop gegooid worden. De mens biedt weerstand.
De man die ik in de Jura ontmoet heb, is daar een voorbeeld van. Hij werd om dringende reden ontslagen. Maar nu vindt hij nergens in de omgeving nog werk. Zo ontstaat er een familie, die een samenleving, met andere woorden wij, niet weet te ondersteunen. Zo’n samenleving is niet bij machte haar leden in staat te stellen om te leven. En die familie gaat volledig verloren. Ze kan haar vier kinderen niet grootbrengen, of alleen door te stelen of te bedelen.
Toch is die man een arbeider. Ik ken hem al twaalf jaar. Hij vond nu eens werk, dan verloor hij het weer. Maar hij deed vervolgens alle moeite om weer een andere baan te vinden. Toen ik laatst bij hem kwam, zat hij met zijn ellebogen op de keukentafel. Hij ging rechtop zitten en hij ontving me met waardigheid. Hij sprak me over zijn tegenslagen, over zijn aspiraties, zijn verlangen om weer te kunnen werken.
Dat is nu het subproletariaat, een arbeiderswereld die, in de loop der jaren, gedwongen werd om alleen af en toe wat klusjes te doen. Haar toestand werd minderwaardig geacht. Ze kregen alleen ondermaats onderwijs. En daarom zijn ze de erfgenamen van het volk dat geen vak heeft geleerd. En van de andere kant van de tafel roept hij me, met al zijn energie, toe: Vindt een job voor mij!
