In het begin van de jaren 60 had ik met mijn metgezellen de indruk dat we zo geïsoleerd waren, dat ik me afvroeg of we niet van onze planeet losraakten. En daarom wilde ik kijken of de situatie van de armsten die we om ons heen waarnamen, ook elders voorkwam en of anderen zich van het probleem bewust waren. Toen heb ik een reis gemaakt door Europa en bezocht Duitsland, België, Nederland, Zwitserland en Groot Brittannië. En we constateerden dat er overal onderaan in de samenleving dezelfde concentratie extreme armoede bestond. In Berlijn ontdekte ik bijvoorbeeld een leegstaande garage waar in lompen gehulde gezinnen op een kluitje bij elkaar waren gezet, zonder werk en voedsel.
In Engeland bezocht ik een bejaardentehuis dat uit twee delen bestond, het ene was voor de armsten, terwijl het andere deel voor ouderen en zieken was. De kinderen van de Vierde Wereld hadden als enige afleiding het komen en gaan van zieken- en lijkwagens.
En de huismeester had de sleutels van elk appartement, zodat hij op ieder moment in het gezinsleven van die armzalige mensen kon binnendringen.
Op die manier werd het voor mij steeds duidelijker dat, wanneer de collectiviteit zich aanmatigt om zich met de armen te bemoeien, de armsten overal dezelfde behandeling ondergaan. Ze zijn voortdurend slachtoffer van vernederingen en gedwongen om in hun gezinsleven willekeurige ingrepen te verduren, zodat ze niet meer bestaan als personen.
