“De morele en politieke verantwoordelijkheid en de wetenschappelijke discipline verplichten de Universiteit zich tot de Vierde Wereld te richten. Niet in de eerste plaats om haar te onderwijzen, maar om de dialoog aan te gaan en van haar te leren. En als ik zeg “de Universiteit”, bedoel ik de Universiteit met al haar instituten en vertakkingen. Ik bedoel daarmee ook de Universiteit met alle burgers die, op een of andere manier, een stukje van de gemeenschappelijke kennis bezitten. Het is tijd voor wederkerige kennis, dat wil zeggen voor wederkerigheid tussen hen die weten en diegenen die van dat weten, die kennis, uitgesloten bleven. En de wederkerigheid in kwestie is een concreet en hard vereiste; het gaat er niet om een welwillend oor te lenen of, als bij een soort psychologische therapie, te doen alsof we luisteren. Het gaat erom een volk aan de voet van de maatschappelijke ladder te vragen ons zijn ideeën te leveren en de kennis die alleen dat volk bezit; het te vragen ons serieus te nemen en ons te vertrouwen. We moeten wel goed beseffen wat we daarmee vragen. We stellen een bevolkingsgroep, die generaties lang in onzekerheid heeft moeten leven, voor om opnieuw risico met ons nemen”.
Geef een reactie
