Als we willen begrijpen welke verwondering, vrees, maar ook hoopvolle verwachting het bezoek van de engelen bij de herders opriep, moeten we het oor te luisteren leggen bij de armsten van deze tijd. Zij hebben immers de beste papieren om ons dat uit te leggen.
De armsten van nu tonen ons dat het leven van de herders zoveel overeenkomsten heeft met hun leven. Ze worden, net zoals de herders toen, geminacht en uitgesloten. In Frankrijk, in Europa, in Israël zegt men dat de armsten absoluut niets in te brengen hebben, zelfs niet bij God. De armsten hebben, net zoals de herders, nauwelijks toegang tot onze Kerken. Ze zeggen dat de herders, net zoals zij, niet erkend worden en dat wat ze zeggen bij de rechtbank niet meetelt.
Te allen tijde hebben de armsten belabberde huisvesting; ze wonen in hutten, grotten, of elders in sloppenwijken. Ze worden in het verdomhoekje gezet en zijn gedwongen van plek naar plek te zwerven.
Het Evangelie spreekt over de volkstelling. In die tijd waren er veel zwervers en Joseph en Maria waren ze op de weg naar Bethlehem tegengekomen. En nu hoorden ze erbij, want ze werden niet opgevangen, erkend, ontvangen in de stad van het huis van David, hun eigen huis. Ze waren dakloos, anoniem, gelijkgesteld met mensen van wie men niets goeds verwacht. En die tot op de dag van vandaag buiten de samenleving verjaagd worden.
Hoe kunnen we ons dan ook voorstellen dat die herders, die door iedereen verstoten worden, door God uitgekozen zouden worden, omdat ze Maria, Joseph en Jezus hadden opgevangen? Hoe kunnen we ons voorstellen dat zij in Israël de eerste boodschappers van de Zoon van God, geboren uit Maria zouden zijn?
De armen van vandaag kunnen ons een idee geven hoe de herders reageerden. De herders hadden voortdurend horen zeggen dat God geen interesse voor hen had. En toch konden ze de ongelofelijke hoop, die in hun hart ontstond, niet verdringen, toen de engel hen zei: ‘U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in Bethlehem, de stad van David.’
Ze geloofden het onmiddellijk, want ze zagen er, altijd, en zo lang al, naar uit dat de machtigen van de troon gestoten zouden worden en de eenvoudigen verhoogd. Maar de armsten(..), de herders wisten heel goed dat men hen niet zou geloven. Ze hadden een teken nodig, een teken dat hen gegeven zou worden om dit buitengewone nieuws aan heel het volk te durven brengen. En de engel geeft hen dit teken: ‘Jullie zullen een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe.’
Het is één ding om boodschappers te zijn die in de ogen van het Joodse volk niet geloofwaardig zijn, maar als de herders het bericht gaan verkondigen dat een arme, ja meer nog, een arm kind de Heiland is, dan worden ze uitgelachen en beschuldigd van godslastering, want niemand in Israël kan zoiets onverwachts aannemen.
Maar de herders geloven het en gaan dus naar de grot. En daar kijken ze met Gods ogen en geloven ze met Gods hart. Ze geloven dat dat kind, ondanks zijn afkomst, zijn armoede, de koning van de Joden zal zijn. En dat hij hier en nu al de redder van de wereld is. En verder beseften de herders, dat dit kind in de kribbe zijn leven lang het liefst zou optrekken met de eenvoudigen, de kleinen en de rechtelozen; wat hen wordt aangedaan, zal ook hem worden aangedaan.
Ze beseften al dat degenen die Jezus volgen, mensen zonder opsmuk, zonder leugens zouden zijn. Die mensen zouden zich met hart en ziel inzetten voor rechtvaardigheid en voor hen zou liefde de grondslag van de mensheid zijn. En de herders gaan die boodschap om hen heen uitdragen. Ze gaan op weg om bekend te maken wat de hemelse legermacht verkondigde: ‘Vrede is op aarde, wanneer mensen elkaar liefhebben.’
