22 Juni 2021, honderdste geboortedag van Alwine de Vos van Steenwijk

Op deze 22e juni 2021, zou Alwine de Vos van Steenwijk 100 jaar geworden zijn. Wij grijpen deze verjaardag aan om haar in herinnering te brengen. Ze was de eerste vrouwelijke diplomaat in Nederlandse dienst en, aan het eind van de jaren 50, verbonden aan de permanente vertegenwoordiging van ons land bij de OESO in Paris.

Wanneer Alwine hoort van het bestaan van een daklozenkamp in Noisy-le-Grand, vlak bij Parijs, besluit ze er heen te gaan. Haar ontmoeting daar met père Joseph Wresinski brengt een ommekeer in haar leven teweeg. Een tijdje later geeft ze haar diplomatieke loopbaan op om zich in dienst te stellen van deze man die tegen het alom heersende onbegrip moest opboksen, samen met een handjevol families die door iedereen werden uitgesloten.

Op verzoek van père Joseph, gaat ze zich aan onderzoek wijden om de armsten onder de armen, in Frankrijk, Europa en over de hele wereld, bekend te kunnen maken en ervoor te zorgen dat ze erkenning krijgen. Ze was van 1974 tot 2002 voorzitster van de Internationale beweging ATD Vierde Wereld en stelde père Joseph in staat om gehoor te vinden en het woord van de Vierde Wereld bij de hoogste internationale instanties uit te dragen.

Na de dood van de oprichter(1988), zet ze haar werk bij de internationale organisaties voort. En ze neemt het initiatief voor de oprichting van het Joseph Wresinski Huis, het huidige Internationaal Joseph Wresinski Centrum in Baillet-en-France, opdat niets van de nalatenschap van de oprichter verloren zou gaan en om het grootst mogelijke aantal mensen de mogelijkheid te bieden er kennis van te nemen. Ze is in januari 2012 in Nederland overleden.

In de volgende passage, uit het boek ‘De armen zijn de Kerk’,1vertelt père Joseph Wresinski over zijn ontmoeting met haar:

“Getuige zijn, dat was allereerst getuige zijn van het leven van de gezinnen, van wat hun werd opgedrongen, van wat zij leden en afwezen. Pas later hebben we besloten, ook bekendheid te geven aan wat ze hoopten en in zich droegen. Ik wilde eerst, kost was kost, de overheid en de publieke opinie overtuigen van het verschrikkelijk onrecht dat hun leven, sociologisch en historisch, inhield. Ik had nooit gestudeerd en ik was een man van actie die weinig geneigd was tot studie. Ik probeerde wel om meer te leren redeneren en mijn verstand verder te ontwikkelen, maar we hadden meer nodig, een echt wetenschappelijke waarborg. Toen op 1 januari 1960 midden in de winter, Alwine de Vos van Steenwijk aankwam, liet ik haar eerst een stapel kleren sorteren, maar toen ze me vroeg: ‘Wat kan ik nog meer doen?” zei ik haar dan ook te gaan studeren. Dat was een schok voor haar, net als voor André Étesse dat hij zich eerst een dode en daarna het voorzitterschap van een vereniging toevertrouwd zag, toen hij kleren kwam brengen. Alwine bleef erover piekeren, temeer toen ik haar zei te gaan bestuderen wat er in andere landen gebeurde, omdat zij diplomate was. De volgende dag vroeg ik haar, me een Nederlandse journalist te helpen ontvangen, omdat zij Nederlandse was. Toen begreep ze dat, wil je uitleg geven en anderen overtuigen, je eerst zelf een gedegen kennis moest hebben. En zo is ons Instituut voor Onderzoek ontstaan, het eerste dat ooit werd opgericht door een Franse vereniging van armoedebestrijding.

Dat Instituut ontstond geleidelijk, niet zonder veel problemen en tranen en te midden van een algemeen onbegrip. Alwine liet briefpapier drukken met het briefhoofd ‘Bureau voor sociaal onderzoek’ en ze begon de dingen te doen die haar beroep haar geleerd had: public relations leggen, naar de Unesco stappen, een studiereis naar Nederland organiseren en daarna een internationaal colloquium. Ze nodigde deskundigen uit, die we wel in het kamp zelf moesten ontvangen. Werkgroepen werden gehouden in een barak waar we op een stapel matrassen zaten.

Maar u hebt gelijk, studies maken over armoede was in 1960 niet bepaald populair in Frankrijk. Zelfs het woord armoede stond slecht aangeschreven. Bij de sociale diensten, waar men eerder over onmaatschappelijkheid sprak, werd van onze eerste vrijwilligsters gezegd: ‘Dat zijn waarschijnlijk dames die nog hemdjes breien voor hun armen’. Anderen zeiden dat al die studies enkel de gezinnen nog meer uitbuitten. Die laster en tegenwerking hebben in elk geval veel gedaan om het nog zo kleine volontariaat nog hechter aaneen te smeden”.

Foto: Brussel, Europese Commissie, 1985, père Joseph Wresinski en Alwine de Vos van Steenwijk, tijdens de ontvangst door Peter Sutherland, Europees Commissaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Alwine de Vos van Steenwijk heeft talrijke boeken en artikelen geschreven. Haar eerste boek ‘La provocation sous-prolétarienne’, uitgebracht in 1972, had grote invloed. Wij geven hier een vertaling van de laatste bladzijden (Tot besluit).2

“Er blijft natuurlijk een eenvoudiger reden om te denken dat de armste burgers onze broeders en meesters zijn. Voor sommigen is ze te eenvoudig, want ze heeft niets revolutionairs en houdt geen enkel spectaculair plan in. Naar onze mening is deze reden de juiste die het snelste effect heeft, en tevens de menselijkste. De meeste voorvechters die wij ontmoet hebben en zich inzetten voor een nieuwe ‘selectieve samenleving3, zijn enkel en alleen naar de grijze zones gegaan omdat zij er geconfronteerd werden met een onnoemelijk lijden dat voor hen onverdraaglijk was. Ze gingen er spontaan heen zonder een duidelijk plan, zonder te weten of ze efficiënt zouden zijn, enkel en alleen omdat ze een te ongelukkig volksdeel hadden aangetroffen en omdat dat volk op die manier zijn ongeluk tenminste niet meer alleen hoefde te verdragen.

Ze hadden teveel respect om in het wilde weg in dit bestaan in te grijpen: hun wens was om eerst te proberen te begrijpen en medestanders te vinden. Dank zij dit bondgenootschap verwierven ze geleidelijk aan een beter begrip, kregen ze ideeën voor acties op korte en middellange termijn. Ze kwamen tenslotte tot een ontwerp voor een nieuwe beschaving. En omdat ze mensen van hun tijd waren, wilden ze zich ook organiseren, zich perfectioneren, zich nieuwe vaardigheden eigen maken, nieuwe pedagogieken ontwikkelen, leren om de effecten van hun acties te meten, om daarvoor de computer te gebruiken; kortom ze wilden efficiënt zijn.

Dat kwam allemaal tot stand, zoals te voorzien was, maar bovendien omdat ze, vanaf het begin, de authentieke wens hadden om samen met de mensen op te trekken en serieus naar hen te luisteren.

De armsten zijn, komt ons voor, goede leermeesters. We hebben alles wat we in dit boek opgeschreven hebben, aan hen te danken. Als onze beschrijving te wensen overlaat, komt dat omdat onze meesters ons niet hebben kunnen helpen. Ze zullen het zelf stukken beter kunnen overbrengen, zodra we hen, eindelijk, selectieve middelen, gelijke kansen gegeven hebben om aan de Universiteit te studeren”.

Foto: Mei 1985, Genève, père Joseph Wresinski en Alwine de Vos van Steenwijk, tijdens de Jongerenbijeenkomst bij het Internationaal Arbeidsbureau, ter gelegenheid van het Internationaal Jongerenjaar

 

  1. Père Joseph Wresinski: De armen zijn de Kerk (Antwerpen-Breda, Unistad Uitgaven, 1984), vertaald door Ed Herkes en Eugène Notermans (ATD-Vierde Wereld), blz. 181-182.
  2. Referentie: Alwine de Vos van Steenwijk: La Provocation sous-prolétarienne (Pierrelaye, Editions Quart Monde, 1972) blz. 299-301, vertaling: Ton Redegeld, Greet van Schaik, juni 2021
  3. Het idee van een ’selectieve samenleving’ slaat op de bereidheid om op de eerste plaats de armsten voorrang te geven zodat ze echt de rechten verwerven die in theorie aan alle mensen zijn toegekend. Deze uitdrukking die in 1972 werd gebruikt, is losgelaten en vervangen door andere formuleringen zoals: ‘de prioriteit aan de armsten’, ‘de armsten bereiken’ of ‘niemand in de steek laten’.
1 Reactie Geef een reactie

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *