Het menselijk handelen heroverwegen

Père Joseph Wresinski richtte in 1988 een boodschap aan de ‘Staten-Generaal voor werkloosheid en werkgelegenheid’ georganiseerd door de ‘Mouvement National des Chômeurs et des Précaires‘ op 5 en 6 maart van dat jaar in Parijs. Wresinski nam deze boodschap op vóór zijn operatie in februari. Na zijn overlijden, op 14 februari, besloten de organisatoren van de Staten-Generaal om de boodschap tijdens hun openingszitting te laten horen.

 In deze periode waar, met name als gevolg van de pandemie Covid-19, talrijke personen werkloos geraakt zijn, nodigt de tekst uit het menselijk handelen te heroverwegen1. Dan krijgt ieder mens toegang tot arbeid en de waardigheid die deze meebrengt en, tegelijkertijd, ook tot  cultuur zodat hij volwaardig aan het leven van de samenleving kan deelnemen.

[Illustratie: Staking in de streek van Charleroi, Robert Koehler, 1886, Deutsches Historisches Museum, Berlijn]

I. Het recht op arbeid en Rechten van de Mens

 Het belang van de ‘Staten-Generaal voor werkloosheid en werkgelegenheid’ 2 en de vraagstukken die er besproken worden, is duidelijk; ze zijn van betekenis voor arbeiders en arbeidsters die momenteel zonder werk zitten of van werk verstoken dreigen te worden. Maar hun belang gaat veel verder, heel de samenleving moet momenteel de uitdaging aangaan om de gelijkheid van de rechten op arbeid en op deelname opnieuw te bekijken in het kader van de toepassing van het geheel van Rechten van de Mens. Deze Staten-Generaal zullen inderdaad een echte vooruitgang tot stand brengen in de mate dat ze de werkelijkheid van het recht op arbeid weten te bestuderen in de context van de ondeelbaarheid van alle vrijheden en Rechten van de Mens en de Burger.

Hoe staat het op dit moment?

II. De ‘behandeling van werkloosheid’3 laat te wensen over

In onze samenleving is je kost verdienen door arbeid geleidelijk aan het belangrijkste middel – het praktisch absolute middel – geworden om je menselijke waardigheid en die als burger uit te dragen. En we hebben er, meerdere decennia lang, absoluut niet voor gewaakt om, helemaal onderaan de maatschappelijke ladder, het recht om een beroep uit te oefenen daadwerkelijk te verzekeren. Nog ernstiger is dat, onder aan de voet van de maatschappelijke ladder, ook de systemen die werklozen in staat stellen hun werknemersstatus te behouden en hun familie bescherming te bieden, ontoegankelijk waren. Dit gemis aan waarborgen bestond al vóór de vertraging van de economische groei en  vóór de grote economische veranderingen. Deze lacune heeft tot de toename van langdurige werkloosheid geleid, in het bijzonder onder de minst gekwalificeerde, en soms ongeletterde, mannen en vrouwen. En zo werden steeds meer mensen van de werknemersstatus en van de verworven rechten van de arbeiders uitgesloten.

Nu het aantal betrokken mensen toeneemt, mogen we zeggen dat tegenwoordig de lacunes in de toepassing van de Rechten van de Mens zoals die door de Grondwet erkend zijn, veel meer zichtbaar geworden zijn. Deze tekorten schokken de publieke opinie steeds meer, terwijl ze die decennia lang over het hoofd heeft gezien. Op dit moment kan er dan ook geen sprake meer zijn van een ‘behandeling van de werkloosheid’. Want geen enkele tijdelijke ad hoc ‘behandeling’ (door middel van een ‘minimum arbeidsplek’ of van een technische opleiding die geen toegang geeft tot de arbeidsmarkt of tot participatie) draagt ertoe bij om deze rechten te herstellen.

III. Op de Staat rust een tweedelige verplichting: Het recht op arbeid en tegelijkertijd het recht op cultuur verzekeren

Het blijft nog altijd waar dat op de Staat de absolute verplichting rust om werkgelegenheid te scheppen en te zorgen dat er middelen voor zinvolle beroepsopleidingen voor handen zijn. Die verplichting kan niet langer alleen afhangen van de goede wil of de ideologie van deze of gene regerende partij. Er is op nationaal niveau consensus nodig zodat de werkloosheid niet meer tot inzet gemaakt kan worden van wisselende politieke rivaliteiten.

Er moet in het land een nieuwe consensus ontstaan om de periode waarin werknemers geen werk hebben, echt op te waarderen. Ambtenaren, lager en hoger beroepspersoneel, onderwijskrachten, zelfstandige ondernemers spreken steeds meer over de noodzaak om, in het moderne beroepsleven, sabbatsjaren, periodes van vrijwillige bijscholing, onbetaald verlof… te kunnen opnemen. Met recht vragen ze niet zozeer om die periode te mogen besteden aan een bijscholing op hun beroepsgebied in engere zin, maar om hun algemene culturele vorming fors te verbreden.

Zij die zo kunnen meedingen naar een bredere deelname aan het economisch leven van morgen, vergissen zich niet; ze vinden een degelijke culturele verrijking een basisvoorwaarde. Jammer genoeg beschikken langdurig werklozen in het geheel niet over dit middel, omdat ze vaak minder goed bedeeld zijn met culturele verworvenheden of deze soms zelfs verloren hebben, terwijl de noodzaak voor hen groter is. De arbeiderswereld is in het algemeen altijd verstoken gebleven van cultuur in ruime zin. Ze heeft aan haar eigen vorming moeten werken en heeft zich – op eigen kracht en door zich te organiseren – kunnen bevrijden van armoede. De werknemers die schrijnende armoede kennen, hebben die mogelijkheid niet gekregen. Voortaan is cultuur voor hen een absolute behoefte en een absoluut recht.

De Staat kan zich dan ook niet onttrekken aan deze tweede heel duidelijke verplichting. Ze moet een betere basis leggen voor de rechten en vrijheden van de mens; ze moet maatregelen treffen opdat de tijd van werkloosheid, als die niet vermeden kan worden, omgezet wordt in een sabbatsperiode; in een tijd waar geïnteresseerden nieuwe energie kunnen opdoen, opleidingen kunnen volgen, nieuwe technieken leren beheersen, maar vooral om – dank zij al die mogelijkheden – zich een universele cultuur eigen te maken die hen altijd ontbroken heeft en hen in staat stelt om, in het economisch leven en kortom in het leven, een gelijkwaardige positie te bereiken.

Conclusie

 Het gevecht om er voor te zorgen dat een ieder waardig werk heeft en zich vereerd voelt om beschouwd te worden als een werknemer die zijn mannetje staat, blijft essentieel. Daarom is het fundamenteel dat we ons er tegelijkertijd hardnekkig voor blijven inzetten dat de soms tijdelijke, onvermijdbare perioden van werkloosheid worden omgezet in een sabbattijd voor menselijke en culturele vooruitgang; in een periode waar mensen zich verder kunnen ontwikkelen op een zo breed mogelijk vlak, met inbegrip van deelname aan het vakbondsleven, aan het politieke en religieuze leven, en aan allerlei vormen van artistieke expressie.

De Internationale beweging ATD Vierde Wereld vraagt derhalve de ‘Staten-Generaal van werkloosheid en werkgelegenheid’ om:

* het recht op cultuur op te eisen voor langdurig werklozen, voor alle werklozen en alle werknemers met een bescheiden opleiding die door werkloosheid bedreigd worden;

* te eisen dat betekenisvolle maatregelen genomen worden zodat het tweedelige recht, namelijk het recht op arbeid samen met het recht op cultuur, onherroepelijk verankerd wordt als verplichting van de Staat.

Joseph Wresinski, Februari 1988

  1. zie ook: Alwine de Vos van Steenwijk: Tegen armoede en uitsluiting – Heroverweging van het menselijk handelen. Bijdrage aan de Wereld Topconferentie over Sociale Ontwikkeling Kopenhagen, maart 1995 (Den Haag, ATD Vierde Wereld, 1996) Vierde Wereld Visie nr. 7.
  2. In Frankrijk wordt de term ‘Staten-Generaal’ tegenwoordig gebruikt als het gaat om een officiële raadpleging van groepen burgers of organisaties op een bepaald vlak. In dit geval gaat het over de werkloosheid, en de deelname van met name organisaties van werkgevers en werknemers, maar het kan ook gaan over het onderwijs of over de aanpak van het milieu.  Onder het ‘Ancien Regiem’ (de periode vóór de Franse Revolutie (1789)) waren de ‘Staten-Generaal’ een wetgevende en beraadslagende vergadering waaraan de verschillende standen deelnamen. Er waren afzonderlijke algemene vergaderingen voor elk van de drie standen (geestelijkheid, adel en gewone burgers (ambachtslieden, boeren en andere stadsburgers)). Ze werden door de koning bijeengeroepen en ontbonden. In april 1789 bepleiten sommige mensen tevergeefs om ook vertegenwoordigers van de ‘Vierde Stand’, de orde van armen en onfortuinlijken, bijeen te roepen. De term ‘Vierde Wereld’ is door ATD Vierde Wereld in het leven geroepen in de jaren 1960 en is een hedendaagse voortzetting van deze episode tijdens de Franse Revolutie.
  3. De Franse term ‘traitement social du chômage’, hier vertaald met ‘behandeling van werkloosheid’, slaat op het hele pakket economische en sociale maatregelen tegen de werkloosheid. Ze creëren geen arbeidsplaatsen; het zijn passieve maatregelen die werklozen – dank zij de verbetering van hun opleiding en vakkundigheid – weer aan werk moeten helpen.
Lezen Download
1 Reactie Geef een reactie

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *