Met kinderen van de Vierde Wereld kom je steeds voor verrassingen te staan. Ik zie Patricia nog voor me. Haar vader was doodgraver. Bij haar thuis was het vreselijk. Overal lagen doodskleden. Het tafelkleed, de servetten, alles was gemaakt van een lijkwade. Moeder was er vandoor. Er waren naast Patricia nog zes kinderen thuis. ‘s Nachts sliepen ze in het bed bij hun vader. Ze zaten aan hem vast met veiligheidsspelden. Zo bang waren ze, dat de politie haar, haar broertjes en zusjes zou weghalen. Wanneer de politie kwam, verborgen ze zich, met mijn hulp trouwens, in de ruimte tussen het dak en het plafond van de peuterschool. Ze bleven er soms verschillende nachten, om te vermijden dat de politie ze te pakken kreeg. Toen dat eenmaal voorbij was, kwam hun moeder terug, De zon scheen weer. Als ik haar later, veel later, nog eens tegenkwam, vertelde Patricia me: Mijn kindertijd was geweldig, ik was zo gelukkig, papa nam alles op zich.
De kinderen zien alles als een klein stukje vreugde en dat maakt ook de ouders blij. Want als ze het kleine geluk van hun kinderen zien, willen ze die niet alleen echt gelukkig maken, maar hebben ze er ook vertrouwen in dat die niet door het leven gemarkeerd worden, dat ze niet haatdragend worden. Ik heb het altijd als iets heel bijzonders ervaren dat kinderen die in ernstige armoede opgroeien, geen haatgevoelens kennen.
Het komt misschien, omdat de situatie zo onverdraaglijk was. Of misschien ook, omdat hun vader en moeder zoveel moeite moesten doen en de kinderen best in de gaten hadden hoeveel inspanningen hun ouders zich moesten getroosten. Het verklaart misschien waarom de kinderen zo aan hun ouders gehecht zijn. Dikwijls sta je verbaasd. Men zegt: Ze blijven. Waarom gaan ze er niet vandoor? Men spreekt van samenklonteren. Maar zo ligt dat niet. De kinderen begrepen dat hun vader en moeder vanwege hen zoveel narigheden te verwerken kregen. Hun ouders waren veel meer dan een bescherming voor hen. Ze hebben met hun harten die van hun kinderen omarmd. Dat is het buitengewone.
Ik denk ook aan die jochies die op een koude februari-nacht, bij een ijzige wind, hun knikkers gingen verkopen, omdat het hun moeders naamfeest was. Er was verschillende dagen al geen brood in huis. Er was niets te eten. Ze waren bij mij gekomen, maar ik had ook niets. Ik was bij deze en gene gaan bedelen en had hen het oud brood, dat ik gekregen had, gegeven. Maar die dag zeiden ze tegen mij: Het is ons moeders naamfeest. Wat gaan we haar geven? Daarom deden ze afstand van hun knikkers en hebben voor hun moeder een heel brood gekocht.
Bij deze kinderen is niets onbeduidend. Zo zie ik Nono, toen hij nog een ventje was, in de modder staan. Het was vreselijk weer. Het had flink geregend. Overal lagen diepe plassen. Een chique dame kwam naar hem toe en gaf een stukje chocolade. Nono liep onmiddellijk naar zijn zusje om de chocola te delen.
Zo zijn de kinderen die in schrijnende armoede leven. Zo’n kind was ik, toen ik klein was. Ik ging op onderzoek uit, ik vond dingen uit, ik zocht, ik pikte, ritselde. Ik was vindingrijk om te zorgen dat we thuis geen hevige honger hadden. Dat is hetzelfde voor kinderen in schrijnende armoede. Het zijn kampioenen, kampioenen van liefde. Wat jammer dat dat niet erkend wordt.
