Noodtoestand voor de kinderen

Aan het einde van de jaren 70, en met name voor het Internationaal Jaar van het Kind in 1979, heeft de internationale beweging ATD Vierde Wereld relaties aangeknoopt met UNICEF, het Kinderfonds van de Verenigde Naties. Er ontstaat dan een hechte band tussen James Grant, algemeen directeur van UNICEF, en père Joseph Wresinski. Voor père Joseph was het essentieel dat UNICEF de opdracht zou krijgen om voortaan alle kinderen van de wereld onder zijn hoede te nemen, niet alleen kinderen op het zuidelijk, maar ook die op het noordelijk halfrond, en dat UNICEF voortaan bijzondere inspanningen zou ondernemen om alle kinderen te bereiken en geen enkel kind in de steek te laten. Daarom was hij enthousiast over de ‘Grote Alliantie voor kinderen’ die in 1987 door Unicef in het leven geroepen werd. De directeur van UNICEF beschreef (in zijn rapport E/ICEF/1988/2 (Deel II), gericht aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties) de Alliantie als volgt: “De Grote Alliantie is te danken aan de omvangrijke solidariteitsbeweging, die in het jaar waarin de veertigste verjaardag van UNICEF herdacht is, verder versterkt is. Om deze Grote Alliantie verder te stimuleren heeft UNICEF zijn inspanningen gericht op de versteviging van de relaties met bestuurders en denkers, de verdieping van de dialoog met parlementsleden, de samenwerking met een groeiend aantal belangrijke niet-gouvernementele organisaties en het vergemakkelijken van de taak van de media ten aanzien van de problemen en de prioriteiten van kinderen.”  Niet alleen bij de hoofdzetel van UNICEF in New York, maar ook in verschillende landen, waaronder Frankrijk, gingen nationale Comités voor UNICEF de relatie met andere betrokken organisaties verstevigen. In het kader van dat partnerschap werd père Joseph Wresinski door het Frans Comité voor UNICEF uitgenodigd om het woord te voeren tijdens de persconferentie georganiseerd ter gelegenheid van de publicatie van het ‘Rapport over de situatie van kinderen in de wereld 1988’ . De samenwerking tussen UNICEF en ATD Vierde Wereld leidde in de daarop volgende jaren tot het internationale project: ‘De armsten bereiken’ (Reaching the Poorest).

Ik wil met jullie enkele overwegingen delen, voor ogen houdend dat er geen verschil is tussen de families in ontwikkelingslanden en degenen die in geïndustrialiseerde landen wonen. De families in New York en Chicago zoeken hun toevlucht in de straten van deze steden; families in Frankrijk verschansen zich in niet meer gebruikte vrachtauto’s, geparkeerd op terreinen gelegen tussen een vuilnisbelt, een autoweg en een begraafplaats. Deze families sturen ons dezelfde boodschap als de families in ontwikkelingslanden, die zich vastklampen op de helling van een heuvel, op de rand van een ravijn of in een moerasgebied bij de oevers van een baai.

Al deze families zijn niet alleen uit fatsoenlijke woongebieden verdreven, erger nog, er is voor hen zelfs geen plaats in sociale woningwijken, sloppenbuurt of krottenwijk. Ze zijn werkelijk verdreven uit die armoedegebieden en verbannen in een ellendige toestand vanwege hun schrijnende armoede. Er is om die reden geen enkele stad die hun precieze aantal kent. Erger nog, ze staan bij geen enkele overheidsadministratie ingeschreven en zijn niet terug te vinden in nationale statistieken. Ze komen niet voor in de beleidsplannen waaraan verantwoordelijke bestuurders voorrang geven. Om het even samen te vatten: ze bestaan voor niemand. Bij gevolg wordt in geïndustrialiseerde landen en in ontwikkelingslanden het bestaan van die kinderen uit armste families niet erkend en al die kinderen hebben met elkaar gemeen dat ze geen toekomst hebben.

Lees meer.

Lezen Download
1 Reactie Geef een reactie

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *