Ze wisten wel dat hun ouders van elkaar hielden

 Het broeide al maanden.
Tenslotte kon de man de situatie niet langer aan,
vernederd als hij was door de werkloosheid,
de honger en de wanorde bij hem thuis.

Op een dag is hij er vandoor gegaan.
en ze hebben hem drie weken niet teruggezien.

“Hij zit bij een ander”, zeiden de buren.
“Misschien niet…”, zei zijn vrouw.

Op een avond kwam hij terug om zijn spullen op te halen.
De buren hadden me gewaarschuwd
en ik was erheen gegaan.

Daar stond ik, temidden van de rommel.
Niemand sprak een woord.

De kinderen klommen op de fauteuil
waar de vulling uitpuilde,
ze duwden elkaar omver,
vielen op de grond en begonnen opnieuw.

Hun vader propte zijn kleren
in twee reiskoffers die hij open op tafel had gezet.
Het zag er allemaal zo absurd uit: de fauteuil,
de kinderen, de vader, de tafel, de koffers, zijn kleren.

Ik vond geen woorden
die pasten bij zijn schaamte en bij hun verdriet.

Ik wist dat hij niet opnieuw wilde weggaan.
Ik was er zeker van dat hij wachtte
dat zijn vrouw en de kinderen hem zouden vragen te blijven.

Maar zij durfden, net zo min als ik, iets zeggen.

Met onze intu‹tie van arme mensen voelden wij aan
dat diep-menselijke gevoelens door woorden bijna altijd vervormd, verkleind en zelfs kapotgemaakt worden.

Tenslotte nam ik hem in mijn armen
en drukte hem heel stevig tegen me aan,
zodat hij voelde hoeveel we van hem hielden.

Op dat moment kwam de vrouw,
die zich op de achtergrond had gehouden,
uit de kamer tevoorschijn.

Als een gewond dier had ze zich daar verscholen,
om haar verdriet, eenzaamheid en ellende te verbergen.

Haar gezicht was vuurrood, opgezwollen, misvormd,
maar toch zo mooi,
alsof het gezicht van de armsten,
in alle ellende een vleugje trots behoudt,
het verlangen om te leven en lief te hebben.

Ze wees naar de kinderen en zei alleen maar:
“Er is al drie dagen geen eten meer in huis…
Ik heb aan niemand iets gevraagd.”

Zo ging ze met korte, snijdende woorden
de feiten en de pijn te lijf.

“Hij komt zijn spullen halen en is weer weg.

En wij ? Wat moeten wij doen ?”

Ze praatte niet tegen mij, maar indirekt tegen hem.
Ik hield de man nog steeds vast.

De zeven kinderen speelden nog steeds in een hoekje.
Alles rond deze tafel,
waar de toekomst van een gezin op het spel stond,
kon een drama veroorzaken:
de klachten van de vrouw, de onverschilligheid van de kinderen, het zwijgen van de vernederde man…

“Hij blijft”, zei ik tegen haar,
“anders was hij niet teruggekomen.”

Ik trok ze mee naar de keuken,
waar geen kruimel voedsel, geen vleugje kooklucht
meer te bespeuren was.

De laatste dagen
hadden de kinderen alles samengeraapt,
afgeschraapt tot boven in de kast.

Toen hadden ze hun maaltijden
van hun huis naar dat van de buren verplaatst.
Die hadden hen om beurten opgevangen en te eten gegeven,
mopperend op de man die was weggegaan.

Ze hadden de schuld op de een geschoven,
dan weer op de ander,
alsof er geen werkloosheid was,
alsof honger de magen niet had verkrampt,
alsof ze geen vernedering kenden.

De stilte was nu verbroken.
De ene zat, de andere stond.
“Ik heb er ook meer dan genoeg van”, zei de man.
“En wij dan ?” vroeg de vrouw.
“Ik heb gewerkt”, zei de man.

“Je hebt dus geld ?”
Hij gaf geen antwoord.

Plotseling drong het tot haar door
dat als hij weg zou gaan,
zij zonder geld zou achterblijven.

Dan zou ze toch hulp gaan vragen -wat ze ook beweerde-,
dan zou ze toch gaan bedelen -al was ze daar zo op tegen-
om eten te hebben voor de kinderen.

En in een snik barstte ze los:
“Weet je wel dat ik een blik erwtjes verkocht heb
om je te kunnen schrijven ?”

Dat blik was een symbool, een wanhoopskreet,
teken van de hulp die de buren haar gegeven hadden.

Het verkopen was een teken van onpeilbare liefde,
die honger, leed en schaamte naar de achtergrond schuift.

En weer zwegen we.
Alles was gezegd.
Alle woorden waren overbodig.

Toen ik hen verliet, wist ik dat hij niet meer weg zou gaan.
Hij zou voortaan sterk genoeg zijn
om tegen de spot van de buren op te kunnen
omdat ze elkaar hun liefde hadden teruggegeven.

Op de drempel
hield het meisje van zeven  mijn hand vast
en kneep er een paar keer in
als om “dank je” te zeggen.

En ik dacht aan het blik erwtjes,
verkocht voor de prijs van een postzegel,
om te schrijven naar een man
die op de vlucht was voor zijn gezin,
om hem te kunnen zeggen dat hij terug moest komen,
want dat ze nog altijd van hem hield.

Hadden de kinderen die liefdesverklaring gehoord ?
Ik geloof het wel.
Ze hadden trouwens geen bewijzen nodig.
Ze wisten het, het stond als een paal boven water
dat hun ouders van elkaar hielden.

Wat voor geheim schuilt er in het hart van de armen,
een geheim waar wij geen idee van hebben ?
Welke liefde kan zo’n hechte band scheppen ?

 

1 Reactie Geef een reactie

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *