Er is iets dat de jongeren van de Vierde Wereld moeten weten, namelijk dat ze bij een groep horen die altijd onrechtvaardig behandeld wordt, en dat ze iets voor die groep kunnen betekenen.
De solidariteit die Don Bosco in de harten van zijn jongeren heeft gelegd, is absoluut noodzakelijk. ‘We horen bij een volk en samen moeten we ons volk bevrijden. We horen bij een familie en we zijn niet de enigen die worden uitgesloten. Het overkomt ook onze kameraden, onze familie, ons milieu. We moeten ons inzetten opdat we niet meer uitgesloten worden, maar ons nuttig kunnen maken voor onze kameraden, voor onze familie.
Onze instellingen verspreiden het virus van de individuele vooruitgang. En daarmee loop je over naar een ander kamp. Dat is een drama, want het risico bestaat dat je breekt met je familie, met je eigen milieu. Dan laat je het verleden achter je, maar hoor je nog niet bij de toekomst, want in dat andere kamp blijf je, hoe dan ook, een indringer, iemand die er niet thuis hoort.
Maar als je de bestaande samenleving ingaat en je eigen erfenis niet verloochent, dan ben je geen indringer meer.
Je vader die dronken was, maar toch je vader is; je moeder die zich soms prostitueerde om je in leven te houden, maar toch je moeder is. Je broers en zussen, wat er ook van ze geworden is, zijn toch je broers en zussen. De ervaringen die je in een instelling hebt meegemaakt en je een warm gevoel geven.
Welnu dat alles moet je niet verloochenen, anders gooi je je wortels weg, en zonder wortels ben je, waar je ook gaat, nergens op je plaats.
Je moet aan je wortels hechten om afroming tegen te gaan. Afroming trekt degenen van wie gedacht wordt dat ze de besten zijn, aan de haren om ze van hun milieu te vervreemden. Maar in feite worden ze vervolgens nergens geaccepteerd. En het armste milieu wordt steeds lustelozer, omdat de mensen van wie men denkt dat ze energieker zijn, er vandoor zijn gegaan.
